Batterij onder Brakel

De batterij onder Brakel is gebouwd tussen 1879-1884 ten zuidwesten van het dorp Brakel aan de Zuider Waaldijk. Voor de aannemingssom van fl 208.000,-- / € 94.386,-- werden zowel de batterij onder Brakel als die onder Poederoijen gerealiseerd. Na realisatie van de batterij zorgde deze ervoor dat de Waal met uiterwaarden afgescheiden werden van  de Zuider Waaldijk. Bij de bouw kwam men tot de ontdekking dat de ondergrond zeer bewegelijk was. Door verzakkingen werd het een beruchte en langdurige bouw. Door de aanblijvende verzakkingen is er uiteindelijk voor gekozen de vormgeving van de batterij aan te passen. Hierdoor heeft de batterij uiteindelijk een ovale vorm gekregen.

Op het terrein staat een overdekte bomvrije schuilplaats voor geschut, oftewel: een remise. Deze remise bevat twee verdiepingen en een kelder. Het bomvrij gebouw is opgetrokken uit baksteen en gemetseld in kruisverband. Het gehele gebouw is afgedekt met een 2 – 3m dikke aarden dekking. De gevelopeningen zijn ontlast door stenen segmentbogen met een natuurstenen sluitsteen. De bovenste koppen van de boog steken enigszins uit. De vensters zijn oorspronkelijk afsluitbaar met houten luiken, die in de jaren zestig door de Dienst der Domeinen zijn vervangen door stalen luiken. De onderdorpels hebben een natuurstenen grendelsteen en de zijkanten natuurstenen duimstenen. In het midden van de gevel bevinden zich twee stukken hardsteen, een met het opschrift ‘BRAKEL’, de ander met het opschrift ‘1880’. De gevel van de batterij heeft een gecementeerde plint en een gecementeerde afdekking. De onderste kelder bevat onder meer een opvang voor het lekwater uit de aarden dekking. Vanuit de remises kon men met behulp van een lift de munitie uit de munitieopslag naar boven halen. Opmerkelijk is de situering van de waterput voor de noordelijk gelegen remise. Hierdoor is het niet duidelijk hoe het geschut de remise werd uitgereden en in stelling werd gebracht.

De batterij was omgeven door een gracht. Aan de afgekeerde zijde van de vijand werd in de gracht een toegangsbrug gerealiseerd. Het escarp-talud (een talud van een gracht gelegen aan de zijde van het vestingwerk) werd verstevig door middel van beschoeiing.  In het vlakke Nederlandse landschap was het moeilijk om verdedigingswerken aan het zicht van de vijand te onttrekken. De verdedigingswerken werden gecamoufleerd met planmatig aangelegde natuur volgens de Engelse landschapsstijl. Om in de behoefte aan beplanting te voorzien had het leger een eigen kwekerij. Tot ver in de 19e eeuw hadden prikkelbosjes (meidoornhagen) een verdedigende rol. Om toenadering tot het fort te bemoeilijken werden deze rondom de gracht geplant. Iepen, eiken en populieren groeiden zowel op het verdedigingswerk als achter de stelling. Daarnaast plantte men wilgen aan voor het natuurlijke effect. Ze zorgden ervoor dat het verdedigingswerk wegviel tegen de horizon. De gracht werd aangeplant met waterlelies en gele plomp om de gracht vanuit de lucht te camoufleren.

Voor een vrij schootsveld en uitzicht gold rondom alle forten een verboden kring. Deze kring was in 1853 vastgelegd in de Kringenwet. Op 300, 600 en 1000m van een verdedigingswerk mocht niet of alleen in hout worden gebouwd. In oorlogstijd kon het leger de schootsvelden dan makkelijk vrijkappen en de huizen slopen. Huizen in het schootsveld hadden vaak een wit geverfde kring langs de voordeur als teken dat ze gesloopt mochten worden in oorlogstijd. De Kringenwet bleef tot 1951 van kracht. Tot die tijd heeft de wet vele uitbreidingen van dorpen en steden in de Linie voorkomen. Zo is de groei van de stad Utrecht in oostelijke richting lange tijd beperkt en ook heeft de Kringenwet de uitbreiding van het glastuinbouwgebied rond Poederoijen tegengewerkt.

In verband met bepalingen van de Wet der Begrenzingen van ’s-Rijks militaire gronden werden de gebiedsgrenzen van de batterij vastgelegd door middel van 16 limietpalen (zie figuur). In 1888 werd een bergloods bij de batterij gebouwd en in 1891 werd er een wachterswoning neergezet. In 1894 werd de artillerie bewapening geplaatst. Onder het artillerie bevonden zich enkele 12 cm kanonnen (zie figuur), mortieren en mitrailleurs.

Toen de batterij gereed was om in oorlogstijd te dienen, brak er een periode aan waarin de belangstelling voor de batterij sterk verminderde. Tijdens de mobilisaties in de Eerste en Tweede Wereldoorlog heeft de batterij een bezetting gehad. Verder heeft het alleen gediend als munitie opslagdepot. Na vele jaren van leegstand werd de batterij in 1956 door Koninklijk Besluit opgeheven als vestingwerk. Van de Genie ging het beheer over naar de Dienst der Domeinen. Na een lange tijd is de batterij in 1988 overgedragen aan SBB. Om te verhinderen dat er water in het bomvrije gebouw kwam te staan is eind jaren tachtig door SBB een hoeveelheid zand tegen de buitenmuur van de begane grond aangebracht. Deze hoeveelheid zand zorgde ervoor dat er bij hoog water geen water naar binnen kon stromen. Door de aanwezigheid van dit zand is het niet meer mogelijk het werk via de toegangsdeur te betreden. In juli van het jaar 2000 is begonnen met het verwijderen van het gele zand voor de begane grond, waarbij het metselwerk zeer fraai onder het zand vandaan kwam. Deze werkzaamheden zijn om onbekende redenen nooit afgerond.